Martijn van Helvert is officieel voorgedragen als nieuwe voorzitter van MKB-Limburg. Tijdens een bijeenkomst op maandag 4 april in het Van der Valk Hotel in Venlo werd hij voorgesteld aan de leden van de vereniging.

Martijn van Helvert volgt hiermee Monique Princen op, die sinds eind 2015 de rol vervulde. Van Helvert komt uit Sittard, heeft zes jaar namens het CDA in de Tweede Kamer gezeten en is sinds maart 2021 wethouder in de gemeente Roerdalen.

Van Helvert is trots op de ondernemers in Limburg. “Ze hebben een enorme veerkacht”, zo zegt hij. “Ondernemers hebben te maken met de onverwachte waan van de dag. Of ze nu met hun bedrijf gevolgen ondervinden van hoogwater, corona, de oorlog in Oekraïne of een slechte oogst, ze blijven gewoon doorgaan. Dat zit in hun ondernemersgeest.”

Hoofdtaak
Volgens de nieuwe voorzitter is de hoofdtaak van MKB-Limburg duidelijk. “Het is onze core business dat we ons samen sterk maken, daar waar bestuurders ons nodig hebben. Ik zie een 3.0 community voor me, voor alle 120.000 ondernemers in Limburg. Ik wil dat men in de rest van Nederland straks zegt: ‘Nondepie, zoals ze het in de regio Limburg doen, dat is een voorbeeld voor ons.”’

Er zijn momenteel 800 leden aangesloten bij MKB-Limburg. Dat mogen er volgens Van Helvert meer worden. “Want hoe meer ondernemers bijdragen aan onze core business, hoe meer mensen hun kennis en kunde neerleggen en hoe sterker we overkomen bij bestuursleden in het gemeentehuis, Den Haag of in Brussel.”

Verduidelijking
Wat ondernemers in Limburg volgens Van Helvert nodig hebben na de afgelopen twee jaren vol met beperkingen, is verduidelijking en eventuele versoepeling van de overheid over bepaalde regels. “Denk hierbij aan het aflossen van schulden door ondernemers. De overheid int belasting niet op crisis, maar op de normale gang van zaken. We snappen dat belastinggeld betaald moet worden, maar het is belangrijk dat de overheid ook kijkt hoe de huidige situatie is en wat er daarbij voor eventuele regelingen mogelijk zijn. Wij als MKB zijn bereid om daarover in gesprek te gaan met de overheid en om haar hierover te adviseren.”